Lees meer

Meld je aan voor de nieuwsbrief
Aanmelden nieuwsbrief
Neem contact met ons op
Contact

Als een besluit niet op de juiste manier bekend wordt gemaakt, kan de geldende bezwaartermijn niet aanvangen, zo blijkt uit een rechtszaak tegen het UWV.

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) heeft in oktober 2018 een uitkering toegekend aan een ex-werknemer van het ministerie van Defensie. Het ministerie gaat hiertegen in augustus 2020 in bezwaar. In september 2020 verklaart het UWV dit bezwaarschift niet-ontvankelijk, omdat het te laat is ingediend. Het ministerie stelt hier beroep tegen in.

Volgens het UWV blijkt uit het dossier dat het ministerie in ieder geval op 3 juni 2019 wist dat de ex-werknemer een ww-uitkering ontving: op die datum heeft het ministerie immers gevraagd de man vrij te stellen van de sollicitatieplicht. Nu het ministerie pas op 23 augustus 2020 bezwaar heeft gemaakt, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, aldus het UWV.

Het ministerie is het hier niet mee eens. Het wijst erop dat het UWV het besluit niet per aangetekende brief heeft verstuurd. Omdat het UWV het besluit daarmee niet op de voorgeschreven manier bekend heeft gemaakt, is de bezwaartermijn niet aangevangen en is van een te late indiening geen sprake.

Deugdelijke verzendadministratie

De rechtbank Den Haag wijst erop dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken is, met ingang van de dag nadat het besluit is gemaakt. Verder wijst de rechtbank erop dat als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen het volgens vaste rechtspraak in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat dit wel het geval is. Aannemelijk maken dat de post naar het goede adres is gestuurd, is in eerste instantie voldoende. Daarbij moet het besluit wel voorzien zijn van de juiste adressering en een verzenddatum, en het bestuursorgaan moet een deugdelijke verzendadministratie bijhouden. Bovendien moeten er recent ook geen problemen zijn geweest bij het versturen van poststukken. Contra-indicaties kunnen dit alles wel anders maken, bijvoorbeeld als om informatie is gevraagd waaruit is af te leiden dat de post met het besluit wel op het goede adres is aangekomen.

In dit geval kan het UWV niet aannemelijk maken dat het ministerie het besluit heeft ontvangen: het UWV houdt naar eigen zeggen geen verzendadministratie bij. Nu niet aannemelijk is dat het besluit op de daartoe voorgeschreven manier bekend is gemaakt en er volgens de rechtbank ook geen sprake is van contra-indicaties, was de bezwaartermijn niet aangevangen en is deze dus ook nog niet verlopen. Het UWV heeft het bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van het ministerie wordt daarom gegrond verklaard. 

ECLI:NL:RBDHA:2022:3937

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2022:3937 SGR 20/7495 | 25-04-2022

Vraag vrijblijvend een offerte aan

    Neem contact met mij op

    Liever direct contact opnemen?