Lees meer

Meld je aan voor de nieuwsbrief
Aanmelden nieuwsbrief
Neem contact met ons op
Contact

Twee bestuurders van een coronatestbedrijf beschuldigen elkaar van onrechtmatige overschrijvingen. Een van hen stapt daarop naar de rechtbank Noord-Holland.

De ene bestuurder spant een zaak aan tegen de andere, omdat die onrechtmatig grote bedragen van de bankrekening weggesluisd zou hebben. Hij vraagt de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen, waarbij het de andere bestuurder op straffe van een dwangsom verboden wordt om handelingen te verrichten met de bankrekening van het bedrijf. Ook wil hij dat een overgeboekt bedrag van ruim 450.000 euro terugbetaald wordt.

De andere bestuurder betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Het zou hier gaan om betalingen van een tussen hen overeengekomen managementvergoeding. De overige betalingen zijn bedragen die hij heeft veiliggesteld na vermoedens van verduistering door de andere bestuurder.

Lock-up situatie

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een zogenoemde lock-up situatie, waarin beide bestuurders via hun deelnemingen en bestuurderschap gelijke zeggenschap hebben. Ook maken beide partijen elkaar hetzelfde verwijt: het leegtrekken van de vennootschap door naar het 'eigen kamp' zonder (toereikende) rechtsgrond substantiële bedragen over te boeken. Er is op voorhand geen aanleiding om meer geloof toe te kennen aan de stellingen van het ene kamp boven die van het andere, aldus de rechtbank.

Hoewel het nuttig zou zijn om de vrije beschikkingsmacht van de bestuurders over de bankrekening aan banden te leggen zolang de Ondernemingskamer geen voorziening heeft getroffen, zou deze beperking dan wel voor beide partijen moeten gelden. De rechtbank verbiedt de gedaagde bestuurder daarom om zonder toestemming van de andere bestuurder beschikkingshandelingen ten laste van de bankrekening te verrichten. Het verbod zal echter alleen gelden als er schriftelijk wordt toegezegd dat dit verbod andersom ook geldt: ook de eerste bestuurder zal toestemming moeten hebben van de ander om handelingen te verrichten.

De geldvordering acht de rechtbank niet toewijsbaar: aan de eisen voor een voorlopige toewijzing is niet voldaan.

ECLI:NL:RBNHO:2022:3814

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2022:3814, C/15/321154 / HA ZA 21-543 | 16-05-2022

Vraag vrijblijvend een offerte aan

    Neem contact met mij op

    Liever direct contact opnemen?